Alain de Benoist: Stellingen over democratie
Uit: “Democratie – Het probleem“ van Alain de Benoist
1. Vandaag de dag beweert iedereen democraat te zijn, maar de definities van democratie spreken elkaar voortdurend tegen. Een etymologische verklaring levert weinig op. Ook de poging om democratie te definiëren aan de hand van moderne regeringsvormen die zich later democratisch noemden, is uiterst omstreden. De meest zinnige benadering is historisch: wil je weten wat democratie werkelijk is, dan moet je eerst onderzoeken wat zij betekende voor de mensen die haar hebben uitgevonden. De antieke democratie bracht een gemeenschap van burgers bijeen en gaf hun gelijke rechten. Begrippen als staatsburgerschap, vrijheid, volkssoevereiniteit en gelijkheid waren nauw met elkaar verbonden. Vrijheid vloeide voort uit het behoren tot het volk, uit de afstamming. Het was een vrijheid door deelname. De vrijheid van het volk bepaalde alle andere vrijheden; het algemeen belang ging boven het eigenbelang. Gelijkheid kwam voort uit de gedeelde hoedanigheid van burger, die alle vrije mensen bezaten. Zij was een politiek middel. Het belangrijkste verschil tussen antieke en moderne democratieën is dat de eerste geen egalitair individualisme kende, terwijl de moderne democratieën juist daarop zijn gebaseerd.
2. Liberalisme en democratie zijn twee verschillende dingen. Democratie is een “-kratie”: een vorm van politieke heerschappij. Liberalisme daarentegen is een ideologie die elke politieke heerschappij wil beperken. Democratie berust op volkssoevereiniteit, liberalisme op de rechten van het individu. De liberale representatieve democratie houdt een overdracht van soevereiniteit in, die – zoals Rousseau terecht zag – in feite neerkomt op afstand doen van de soevereiniteit door het volk. In dit stelsel kiest het volk vertegenwoordigers die vervolgens op eigen gezag regeren. De kiezers legitimeren slechts een macht waarvan de gekozenen de enige echte dragers zijn. In een systeem van echte volkssoevereiniteit krijgt de gekozen kandidaat de opdracht om de wil van het volk en de natie tot uitdrukking te brengen; hij belichaamt die wil niet zelf.
3. De traditionele kritiek dat democratie de heerschappij van de onbekwaamheid en de “dictatuur van het getal” zou zijn, stuit op veel tegenargumenten. Democratie valt niet samen met de heerschappij van het getal of met het meerderheidsbeginsel. Haar grondprincipe is veeleer holistisch: het volk als zodanig heeft politieke voorrechten. Gelijkheid betekent niet een natuurrechtelijke gelijkheid van alle mensen, maar een recht dat voortvloeit uit het staatsburgerschap en dat deelname mogelijk maakt. Numerieke gelijkheid moet worden onderscheiden van geometrische gelijkheid, die rekening houdt met verhoudingen. De meerderheidsregel dient niet om de waarheid te vinden; zij is slechts een praktisch middel om tussen verschillende opties te kiezen. Democratie staat evenmin haaks op een sterke regering, op autoriteit, selectie of elite.
4. Generieke competentie en specifieke competentie zijn twee verschillende begrippen. Wanneer het volk over voldoende informatie beschikt, is het prima in staat om te beoordelen of het goed of slecht wordt geregeerd. De huidige sterke nadruk op “competentie” – die steeds vaker wordt opgevat als puur technisch weten – is dubbelzinnig. Het vermogen tot politiek handelen hangt niet af van kennis, maar van het nemen van beslissingen, zoals Max Weber in Wetenschap als beroep duidelijk maakte. Het idee dat de beste regering die van “geleerden” of “experts” zou zijn, getuigt van een volledig misverstand over de aard van politiek. In de praktijk leidt zo’n benadering meestal tot catastrofale resultaten. Vandaag de dag betekent het vooral de legitimering van een technocratie die, in het teken van technicisme en het geloof in “het einde van de ideologieën”, haaks staat op elke echte volkssoevereiniteit.
5. In de democratie hebben burgers gelijke politieke rechten, niet omdat zij zogenaamd onvervreemdbare rechten van de “menselijke persoon” zouden bezitten, maar omdat zij behoren tot dezelfde nationale volksgemeenschap – op grond van hun werkelijke staatsburgerschap. De grondslag van de democratie is niet de “samenleving”, maar de gemeenschap van burgers als erfgenamen van één en dezelfde geschiedenis, die hun voortzetting wensen in een gemeenschappelijk lot. Het democratische grondprincipe luidt daarom niet “één mens, één stem”, maar “één burger, één stem”.
6. In de democratische regeringsvorm is de sleutelterm niet het getal, niet de stemming, niet de verkiezing of de vertegenwoordiging, maar de deelname. “Democratie is de deelname van een volk aan zijn eigen lot” (Moeller van den Bruck). Zij is de politieke vorm waarin elk burger het recht krijgt om deel te nemen aan de staatszaken, onder meer door de aanwijzing van de regeerders en de mogelijkheid om hun zijn instemming te geven of te weigeren. Niet de instellingen op zich maken de democratie, maar de deelname van het volk aan die instellingen. Het hoogste niveau van democratie betekent dan ook niet de grootste vrijheid of de grootste gelijkheid, maar de hoogste mate van betrokkenheid.
7. Het meerderheidsbeginsel komt voort uit de constatering dat echte eenstemmigheid – die theoretisch in het begrip algemene wil en volkssoevereiniteit besloten ligt – in de praktijk niet haalbaar is. De meerderheid kan worden gezien als dogma (een vervanging voor eenstemmigheid) of als praktische techniek (een noodoplossing). Alleen de tweede benadering geeft de minderheid of de oppositie – die de toekomstige meerderheid kan worden – een relatieve waarde. Daarbij mag men meningspluralisme niet verwarren met waardepuralisme. Het laatste is onverenigbaar met de eigenlijke definitie van een volk. Pluralisme heeft grenzen: het moet altijd ondergeschikt blijven aan het algemeen belang.
8. De ontwikkeling van de moderne liberale democratieën – die in feite verkiezingspolyarchieën zijn – laat een duidelijke degeneratie van het democratische ideaal zien. Partijen functioneren niet democratisch. De overmacht van geld verstoort de concurrentie en voedt corruptie. Het massaeffect heft het werkelijke beslissende karakter van verkiezingen op. Gekozen kandidaten voelen zich niet verplicht hun beloften na te komen. Meerderheidsverkiezingen houden geen rekening met de intensiteit van voorkeuren. De meningsvorming vindt plaats onder heteronome voorwaarden: informatie wordt tegelijk gebogen (waardoor een vrije keuze onmogelijk wordt) en gestandaardiseerd (waardoor de tirannie van de publieke opinie toeneemt). De homogenisering van programma’s en toespraken maakt de doelstellingen vrijwel ononderscheidbaar. Het politieke leven wordt volledig negatief en het algemeen kiesrecht blijkt een illusie. Het resultaat is politieke apathie – een principe dat haaks staat op echte deelname en dus op democratie zelf.
9. Het algemeen kiesrecht omvat lang niet alle democratische mogelijkheden. Burgerschap gaat verder dan alleen stemmen. Een terugkeer naar procedures die dichter bij de oorspronkelijke geest van de democratie liggen, vereist dat alle mogelijkheden worden benut die een nauwere band tussen volk en regeerders en een versterking van de lokale democratie mogelijk maken: intensievere deelname in gemeenteraden en beroepsorganisaties, uitbreiding van volksinitiatief en volksraadpleging, en de ontwikkeling van kwalitatieve vormen om consensus tot uiting te brengen. In tegenstelling tot de liberale democratieën en de tirannieke “volksdemocratieën” – die uitgaan van een verkeerde opvatting van vrijheid, gelijkheid en volk – zou een organische democratie die trouw is aan haar oorspronkelijke geest, zich kunnen ontwikkelen rond het idee van broederschap.
10. Democratie is de heerschappij van het volk, dat wil zeggen de heerschappij van een organische gemeenschap die zich historisch heeft gevormd binnen één of meer bepaalde politieke eenheden (stadstaten, naties, rijken enzovoort). Waar geen volk bestaat, maar slechts een verzameling losse individuen, kan er geen democratie zijn. Elk politiek stelsel dat de ontbinding of nivellering van volkeren bevordert, of dat het volksbewustzijn (het besef te behoren tot het volk als organische eenheid) laat verbrokkelen, moet als niet-democratisch worden beschouwd